Gestolen schilderijen keren terug naar oorspronkelijke Noorse eigenaar

Gepubliceerd op 9 januari 2014 om 10:58

Het Openbaar Ministerie mag vijf schilderijen van de hand van de Amerikaanse kunstenaar Sam Francis (1923-1994) laten vertrekken naar Noorwegen.

 

De schilderijen die eerder in Noorwegen waren gestolen, waren door Justitie aangetroffen bij een Nederlandse galeriehouder die stelde de werken in mei 2010 te goeder trouw te hebben gekocht. De Hoge Raad heeft op 3 december jl. bepaald dat Justitie de bestolen Noorse galeriehouder redelijkerwijs als rechthebbende mag beschouwen, waarbij een opmerkelijke uitleg werd gegeven aan een strikte civielrechtelijke vervaltermijn van artikel 3:86 lid 3 BW ten gunste van de bestolen Noorse eigenaar.

Feiten
Een Nederlandse galeriehouder kocht op 26 mei 2010 een vijftal werken van de hand van de Amerikaanse kunstenaar Sam Francis (1923-1994). De schilderijen werden hem door een Engelssprekende man te koop aangeboden.

De schilderijen hadden allemaal een uniek nummer en vóór de aankoop had de Nederlandse galeriehouder van de Sam Francis Foundation vernomen dat er bij haar geen melding van diefstal van de schilderijen bekend was.

Op 27 mei 2010 werd de Nederlandse galeriehouder gebeld door een man afkomstig uit Hong Kong, die hem ook een schilderij van Sam Francis wilde verkopen. De Nederlandse galeriehouder vond het wat vreemd dat hem in zo'n korte tijd door twee verschillende mensen schilderijen van Sam Francis werden aangeboden. Na verder onderzoek bleek dat de schilderijen in Noorwegen waren gestolen.

Daarop zijn de gekochte schilderijen door de Nederlandse justitiële autoriteiten in beslag genomen. Nadien vroegen de Noorse justitiële autoriteiten om afgifte van de schilderijen bij de Nederlandse collega’s.

Indien het voor het onderzoek niet noodzakelijk is dat in beslag genomen goederen alsnog bij Justitie verblijven, kan er worden besloten om de goederen weer af te geven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden beschouwd. Dit is normaliter degene bij wie de goederen in beslag zijn genomen, tenzij een ander als rechthebbende moet worden beschouwd. Daarvan was in dit geval sprake: de Officier vond dat de bestolen galerie te Noorwegen rechthebbende was. Daarom gaf de Officier van Justitie aan de Nederlandse koper kennis van het voornemen de in beslag genomen schilderijen te retourneren aan de bestolen Noorse galerie.

De Nederlandse galeriehouder maakte gebruik van de in de wet geboden gelegenheid om daartegen bezwaar aan te tekenen en vond dat híj als rechthebbende moest worden beschouwd. Hij wilde dat de schilderijen aan hem zouden worden afgegeven en niet naar Noorwegen zouden vertrekken.

Juridisch kader
De (Nederlandse) opsporingsautoriteiten mogen o.a. een gestolen voorwerp - met het oog op (latere) teruggave aan de rechthebbende – in beslag nemen (art. 94 Sv e.v.). Bestaat er geen behoefte meer aan een justitieel beslag dan kan het beslagen goed in beginsel aan de beslagene worden vrijgegeven, tenzij een ànder veeleer als rechthebbende moet worden beschouwd (art. 116 Sv).

Stel dat justitie een gestolen goed wil teruggeven aan de bestolen eigenaar, en niet aan de beslagene, dan zal de beslagene zich bij de rechter daarover kunnen "beklagen". De rechter zal dan uitmaken aan wie het voorwerp moet worden afgegeven en wie als rechthebbende moet worden beschouwd. Let wel: dit is slechts een voorlopig oordeel. Er wordt geen definitief oordeel gegeven over wie het goed toekomt. Dat oordeel is overgelaten aan de burgerlijke rechter en niet aan de strafrechter.

Wie er als rechthebbende moet worden beschouwd bij een vrijgave van een justitieel beslag is gebaseerd op een marginale toetsing over wie eigenaar is van het goed.

Bij gestolen goed wordt een koper, mits hij te goeder trouw is, in beginsel eigenaar, tenzij de bestolen eigenaar binnen drie jaar na de diefstal zijn eigendom opvordert (revindicatie, artikel 3:86 lid 3 BW). De bestolen eigenaar kan het goed óók bij kopers te goeder trouw opeisen (behoudens niet in dit kader te bespreken uitzonderingen). Vordert de bestolen eigenaar binnen de driejaarstermijn op, dan heeft de koper geen eigendom en moet hij zich maar weer verhalen op zijn voorganger.

Drie jaar is kort. Wellicht tè kort, want niet ieder gestolen voorwerp wordt binnen die periode teruggevonden. Daarom zijn er geluiden dat in bepaalde gevallen die termijn verlengd moet worden. Maar het er gaat dan meer over wanneer de goederen bij personen die te kwader trouw zijn worden aangetroffen. Voor deze bijdrage is dat niet van belang.


Bestolen Noorse galeriehouder vs verkrijgende Nederlandse galeriehouder: voorlopig in het voordeel van de eerste beslecht

Bij de bepaling aan wie de vijf schilderijen van Sam Francis moesten worden afgegeven, vroeg de rechtbank (in eerste aanleg) zich dus af wie redelijkerwijs de rechthebbende was. Zij oordeelde dat dit de Noorse galerie was omdat de rechtbank ervan uitging dat de Noorse galerie binnen drie jaar na de diefstal haar schilderijen bij de Noorse Justitie had opgevorderd. Hard bewijs bestond daarover echter niet. Het was een aanname van de rechtbank. De redenering was dat de Noorse Justitie echt niet de schilderijen voor de eigenaar had opgeëist als de bestolene de schilderijen niet voordien bij de Noorse Justitie had opgeëist.

Wellicht zag de rechtbank de Noorse Justitie als een vertegenwoordiger van de bestolen eigenaar en beschouwde zij het verzoek tot teruggave door de Noorse autoriteiten aan de Nederlandse justitiële autoriteiten als een soort juridische procedure tot opvordering die namens de bestolene binnen drie jaar na de diefstal in gang was gezet.

De Nederlandse galerie was het er niet mee eens. Zij vond dat onvoldoende was aangetoond dat de bestolen eigenaar haar rechten had hard gemaakt (tot opeising was overgegaan) en ging daarom in cassatie.

De Hoge Raad besliste echter in het voordeel van de Noorse galeriehouder. Als justitie goederen vrijgeeft behoeft ze deze niet terug te geven aan degene die ook werkelijk eigenaar is, zo overwoog de Hoge Raad. Voldoende is dat ze de goederen dan afgeeft aan degene die ze redelijkerwijs als rechthebbende kan beschouwen.

Daarbij zal de rechter, zo overwoog de Hoge Raad, civielrechtelijke aspecten (zoals de genoemde driejaarstermijn), betrekken, maar hoeft hij niet de diepte in te gaan. Wie er dan wèrkelijk eigenaar is, dienen de onderling strijdende partijen dan - zonodig door de rechter - later vast te laten stellen. De Noorse eigenaar en de Nederlandse galerie dienden (zonodig in een latere procedure) onderling uit te vechten wie er ècht eigenaar is.


Commentaar Oostwaard 
Op zichzelf een begrijpelijke uitkomst. Het toont aan dat Justitie er niet op hoeft te wachten wie er ècht eigenaar is, om zich van een goed te kunnen ontdoen.

Anderzijds is de eis dat er binnen drie jaar na diefstal een procedure tot opvordering wordt ingesteld, een hard en gemakkelijk te controleren aspect. Of daarvan in casu echt sprake was, is niet echt duidelijk en dat had eigenlijk wel vastgesteld mogen worden, ook bij een marginale toetsing. Het zal interessant zijn om te zien hoe in de toekomst de overweging van de Hoge Raad over wat als "opeising" geldt wordt uitgelegd.

Wat daar van ook zij: voor de Nederlandse galeriehouder is de zaak er niet gemakkelijker op geworden. Zie maar eens als koper van (achteraf gebleken:) gestolen goed je - te goeder trouw verworven - goederen terug te halen uit Noorwegen via een Noorse rechter, terwijl ze juist uit Nederland zijn weggevoerd.

 

LINK NAAR DE BESCHIKKING VAN DE HOGE RAAD (ECLI:NL:HR:2013:1575)

 

Auteursrecht: Deze bijdrage is onderzocht, geschreven en gepubliceerd voor de Blog over Kunstrecht van Oostwaard via oostwaard.com/kunstrecht. Het auteursrecht op deze bijdrage berust bij Oostwaard. Het is, anders dan het delen of plaatsen van een link naar de bijdrage, niet toegestaan deze bijdrage (al dan niet in bewerkte vorm) te verveelvoudigen en/of openbaar te maken, behoudens schriftelijke goedkeuring door Oostwaard. Het is niet toegestaan het materiaal te gebruiken in een context waarvoor deze niet bedoeld is. De gebruiker vrijwaart Oostwaard voor eventuele aanspraken van derden naar aanleiding van gebruik van het betreffende materiaal.