Wie draagt het risico van (niet-)authenticiteit?

Gepubliceerd op 6 februari 2013 om 10:53

Onlangs heeft het gerechtshof Arnhem bij tussenarrest beslist over de vraag of en in hoeverre de koper van kunst het risico draagt van een onjuiste toeschrijving.

 

Of van een zogenaamde kansovereenkomst sprake is (de koper draagt het risico van een onjuiste toeschrijving), moet door uitleg van de overeenkomst worden bepaald, zo overwoog het hof.  Beslissend is of de koper mede gelet op de aard van het verkochte, de bedongen prijzen en de mededelingen die de verkoper daarover heeft gedaan, in de gegeven omstandigheden mocht verwachten dat het met zekerheid om authentieke bronzen ging. Het hof overwoog verder dat de koper de bewijslast draagt van zijn stellingen en laat deze toe dat bewijs te leveren in het vervolg van de procedure.

 

Inleiding

De zaak handelde om vier bronzen beelden die in een galerie waren aangekocht in maart en juni 2007. De beelden droegen de signatuur van een gerenommeerde beeldhouwer en het keurmerk van een gieterij in Parijs. De koopsom van de vier beelden (zo is in een later stadium van de procedure vastgesteld) bedroeg in totaal circa 180.000 euro.

 

Na aankoop liet de koper zijn aankoop door een expert beoordelen en daaruit bleek dat de beelden matige kopieën waren van een origineel beeld van de betrokken beeldhouwer, en dat de bronzen niet veel meer waard waren dan de kosten van het gieten (€ 2.000,- per stuk).

 

De koper ontbond de koopovereenkomst buitengerechtelijk en eiste terugbetaling van de betaalde koopsom. De verkoper verzette zich tegen de ontbinding en hij weigerde de koopsom aan de koper terug te betalen. De verkoper dagvaardde de koper vervolgens voor de rechtbank Utrecht.

 

In eerste aanleg werden de vorderingen van de koper afgewezen. Daarop ging de koper in beroep bij het gerechtshof Arnhem.


Verloop procedure in hoger beroep

De verkoper verweerde zich in de procedure allereerst met de formele stelling dat de koper de procedure te laat had ingesteld, namelijk buiten de wettelijke termijn van twee jaar na kennisgeving van een gebrek. Het Hof ging aan dat verweer voorbij, omdat zij vond dat de koper wel degelijk binnen twee jaar na kennisgeving over de (vermeende) niet-authenticiteit een procedure aanhangig had gemaakt.

 

Vervolgens bekrachtigde het hof het oordeel van de rechtbank dat de koper door middel van rapportages van deskundigen voldoende had aangetoond dat de verkochte beelden niet authentiek zijn. Vervolgens kwam het hof toe aan de vraag of de verkochte bronzen aan de overeenkomst beantwoordden.

 

Inhoudelijk stelde de verkoper dat met koper is besproken dat de prijzen aanzienlijk lager waren dan op een veiling. Verkoper stelde dat hij koper heeft verteld dat de galerie een liefhebberij was die verkoper na zijn pensioen is begonnen. Bovendien stelde de verkoper dat hij ten tijde van de verkoop aan de koper had aangegeven dat de verkoper geen gegevens kon verstrekken over de herkomst van de beelden, dat hij de koper had duidelijk gemaakt dat de echtheid niet kon worden gegarandeerd en dat dat ook de reden was dat de prijzen relatief laag waren. Verkoper stelde verder dat de kopers kunstkenners waren met een "bovengemiddelde kennis van kunst", daargelaten dat hij betwijfelde of de beelden niet-authentiek waren.

 

Het hof overwoog (r.o. 4.13) in het tussenarrest van 18 december 2012 dat het niet juist is dat kunstkoop in het algemeen als een zogenaamde kansovereenkomst moet worden beschouwd (lees: de koper draagt het risico van een onjuiste toeschrijving). Of van een zodanige kansovereenkomst sprake is, moet door uitleg worden bepaald, aldus het hof. Beslissend is, zo vervolgt het hof, of de koper mede gelet op:

 

(i.) de aard van het verkochte;

(ii.) de bedongen prijzen, en

(iii.) de mededelingen die de verkoper daarover heeft gedaan,

in de gegeven omstandigheden mocht verwachten dat het met zekerheid om authentieke bronzen ging (artikel 7:17 lid 2 BW).

Alvorens verder te beslissen, heeft het hof de koper toegelaten zijn stellingen (waarvan hij de bewijslast draagt) te bewijzen.


Prijsstelling: exorbitant of juist een schijntje?

Het is onder meer interessant wat uit de verdere bewijslevering omtrent de gehanteerde koopsom van de beelden komt vast te staan. Uit de overwegingen van het hof volgt immers dat als de koper hard kan maken dat de koopsom van de (niet authentiek gebleken) beelden exorbitant hoog is vergeleken met de prijzen die in de regel voor niet-authentieke beelden wordt gehanteerd, de verkoper mogelijk (impliciet) de authenticiteit van de verkochte beelden heeft gegarandeerd. Dat terwijl de verkoper op zijn beurt juist de in zijn ogen lage prijsstelling van de verkochte beelden aangreep om te beargumenteren dat de koper voor dat geld geen zekerheid aangaande authenticiteit mocht verwachten.

 

Link naar de uitspraak (LJN: BY8863)

 

Auteursrecht: Deze bijdrage is onderzocht, geschreven en gepubliceerd voor de Blog over Kunstrecht van Oostwaard via oostwaard.com/kunstrecht. Het auteursrecht op deze bijdrage berust bij Oostwaard. Het is, anders dan het delen of plaatsen van een link naar de bijdrage, niet toegestaan deze bijdrage (al dan niet in bewerkte vorm) te verveelvoudigen en/of openbaar te maken, behoudens schriftelijke goedkeuring door Oostwaard. Het is niet toegestaan het materiaal te gebruiken in een context waarvoor deze niet bedoeld is. De gebruiker vrijwaart Oostwaard voor eventuele aanspraken van derden naar aanleiding van gebruik van het betreffende materiaal.