Over Oostwaard » Blog Kunstrecht » Authenticiteit » To be or not to be - 'The Cardsharps’

To be or not to be - 'The Cardsharps’

Gepubliceerd op 9 februari 2015 om 10:52

Een vroegere eigenaar die zijn schilderij in 2006 bij Sotheby’s in Londen had laten veilen, heeft een procedure tegen het veilinghuis in Engeland verloren. De voormalige eigenaar was van mening dat Sotheby’s nalatig was geweest.

 

Zijn schilderij getiteld: de “Kaartscherpers”, was door Sotheby's niet als een werk van de meester Caravaggio geveild, maar (slechts) als een werk van een navolger van Caravaggio. Na de veiling maakte de koper namelijk wereldkundig dat hij een echte Caravaggio had gekocht – een werk dat inmiddels verzekerd zou zijn voor £ 10 miljoen. Indien dat zo is dan heeft hij voor een spotprijs, namelijk £ 42.000, het schilderij bij Sotheby’s gekocht.


Achtergrond

De eigenaar van een schilderij had in 2005/2006 Sotheby’s ingeschakeld het schilderij te beoordelen en ter veiling te verkopen. De eigenaar had ten tijde van de inbreng aangegeven dat hij het schilderij uit een erfenis had verkregen van iemand die eerder een Caravaggio had gehad, en dat hij dacht dat dit schilderij ook een werk van Caravaggio was.

Sotheby’s was een andere mening toegedaan. Het schilderij werd in 2006 geveild als een werk van een navolger van Caravaggio. De koper ter veiling (een kenner van de werken van Caravaggio) liet het schilderij schoonmaken en restaureren. Hij maakte later wereldkundig dat het werk wel van de hand van de meester zelf moest zijn.
De verkoper (inbrenger ter veiling), gealarmeerd door de berichtgeving, meldde zich vervolgens bij Sotheby’s. Hij vond dat Sotheby’s nalatig was geweest door het werk niet aan Caravaggio te hebben toegeschreven. Sotheby’s stelde daarentegen prudent en zorgvuldig te zijn opgetreden. De verkoper startte een procedure tegen Sotheby’s. De rechtbank, het High Court of Justice in Londen, deed op 16 januari 2015 uitspraak en stelde Sotheby’s in het gelijk.


Uitspraak

De rechter oordeelde dat Sotheby’s bij de uitvoering van haar werkzaamheden een algemene zorgverplichting heeft jegens haar inbrengers. Van een zogenaamde “verhoogde” zorgplicht, zoals betrokken inbrenger betoogde, was in deze zaak geen sprake. Het feit dat de inbrenger Sotheby’s had verzocht het schilderij te onderzoeken, en had aangegeven dat het schilderij voorheen had toebehoord aan een persoon die al een Caravaggio had gehad en dat de verkoper zelf de mening was toegedaan dat het om een Caravaggio handelde, bracht naar het oordeel van de rechter geen verhoogde zorgvuldigheidsverplichting voor het veilinghuis met zich mee. Eigenaren hebben, zo oordeelde de rechter, vaker een te hoge kijk op de voorwerpen die zij in hun bezit hebben. 

 

De rechter overwoog verder dat het veilinghuis haar werkzaamheden objectief behoorde uit te voeren. Anders gezegd, Sotheby’s diende zich een weloverwogen oordeel te vormen en, waar nodig, (extern) advies in te winnen. Het gaat er daarbij om, zo overwoog de rechter, wat van een kundig veilinghuis mag worden verwacht, waarbij van een toonaangevend veilinghuis als Sotheby’s extra expertise mag worden verwacht dat zij hoog gekwalificeerd personeel in dienst heeft dat zo nodig de hulp inroept van de beste kunsthistorici waar zij toegang toe heeft. Voorts mag zeker van een veilinghuis als Sotheby’s verwacht worden dat zij voldoende aandacht en tijd spendeert om tot weloverwogen oordeel te komen. En ook voor Sotheby’s geldt dat zij haar grenzen behoort te kennen en waar nodig verder professioneel advies moet inwinnen. 

 

De rechter vond dat Sotheby’s zich in dit geval bij de toeschrijving van het schilderij naar behoren van haar taak had gekweten. De rechter accepteerde dat Sotheby’s daarbij in het bijzonder was afgegaan op de ervaring van haar personeel die met al hun kennis en ervaring het schilderij op het oog hadden beoordeeld. Het feit dat het schilderij “vuil” was, deed daar niet aan af: gekwalificeerd personeel kan daar – zo oordeelde de rechter – “doorheen” kijken.

 

De rechter overwoog dat het bij de beoordeling van de vraag of Sotheby’s voldoende zorg had betracht geobjectiveerd aankomt op de vraag of een ander vergelijkbaar (leidend) veilinghuis eveneens tot het oordeel had kunnen komen dat het schilderij niet aan Caravaggio kon worden toegeschreven.

 

Daarbij besprak de rechter in detail de kenmerken van het werk. De rechter oordeelde dat de beoordeling door Sotheby’s van het schilderij tot de conclusie mocht leiden dat verder onderzoek niet vereist was. Sotheby’s oordeel dat op basis van het verrichte onderzoek (bestudering met het blote oog en röntgen foto’s) het schilderij niet de “potentie” van Caravaggio had gehad – zodat nader (technisch) onderzoek vóór verkoop was niet geïndiceerd- werd door de rechter als voldoende vakkundig geaccepteerd.

 

De rechter liet zich er nog over uit of Sotheby’s de verkoper erover had dienen te informeren dat er tijdens de “kijkdagen” (voorafgaand aan de veiling) veel belangstelling was geweest voor het schilderij, en dat dat aanleiding was geweest voor Sotheby’s om het schilderij nog eens van wand te halen en nogmaals (intern) te bestuderen. De rechter oordeelde dat Sotheby’s de verkoper niet had hoeven te informeren, omdat dit niet tot een andersluidend oordeel leidde. 

 

Daarmee vond de rechter dat Sotheby’s niet aansprakelijk was, ook niet in weerwil van de latere ontwikkelingen. 


Commentaar Oostwaard 

Het oordeel van het bestaan van een zorgvuldigheidsverplichting van veilinghuizen is niet nieuw en de uitkomst van de zaak is niet schokkend. Ook in Nederland moet een opdrachtnemer handelen zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou gaan. Iemand die garandeert dat een werk van een schilder is, heeft natuurlijk een andere verplichting dan degene die alleen zijn professionele opinie geeft. De beste stuurlui staan aan wal en nadat een ontdekking is gedaan is het gemakkelijker te stellen wat er had behoren te gebeuren. Wel leert deze zaak dat  het bij onderzoek en toeschrijving van kunst van belang is nauwgezet bij te houden hoe de opdrachtnemer tot zijn (professionele) oordeel is gekomen. De uitspraak gaf trouwens een mooi karakterisering van de verschillen tussen juristen en kunsthistorici waar het op toeschrijving aankomt: “it is clear that an art historian may express his or her current view with considerable certainty based on what may appear to a lawyer to be scant available evidence.”

 

Of de zaak nog tot een hoger beroep uitspraak zal leiden zal moeten worden afgewacht. Derhalve wellicht: wordt vervolgd.

 

Link naar de uitspraak

 

Auteursrecht: Deze bijdrage is onderzocht, geschreven en gepubliceerd voor de Blog over Kunstrecht van Oostwaard via oostwaard.com/kunstrecht. Het auteursrecht op deze bijdrage berust bij Oostwaard. Het is, anders dan het delen of plaatsen van een link naar de bijdrage, niet toegestaan deze bijdrage (al dan niet in bewerkte vorm) te verveelvoudigen en/of openbaar te maken, behoudens schriftelijke goedkeuring door Oostwaard. Het is niet toegestaan het materiaal te gebruiken in een context waarvoor deze niet bedoeld is. De gebruiker vrijwaart Oostwaard voor eventuele aanspraken van derden naar aanleiding van gebruik van het betreffende materiaal.